Soms…
Soms denk ik heel even
Aan ons oude huis
Waar is het gebleven?
Er zitten veel vreemde mensen dicht opeengepakt in de kleine hal te wachten tot de lichtbruine dubbele deuren opengaan. Telkens wanneer de buitendeur aan de andere kant van de hal opengaat, komt er een zuchtje frisse lucht naar binnen, meegevoerd door weer een nieuwe vreemde man of vrouw. De meeste mensen hebben bloemen meegebracht. Iedereen die binnenkomt, staat even stil bij de foto op een verhoogde tafel. Voor de foto ligt een opengeslagen boek, waarin door al die nieuwe bezoekers iets wordt geschreven. Daarna geven ze de bloemen af aan een man en een mevrouw die identiek gekleed gaan in een zwart streepjespak. De bloemen worden meegenomen door een smalle bruine deur in de zijmuur van de kleine hal. De mensen kijken zoekend rond, vinden iemand waarmee ze kunnen praten en schudden elkaar de hand. Sommige mensen zoenen elkaar. Of ze slaan een arm om iemands schouder. Heel af en toe ook, komt iemand dichterbij. Dan volgt een aai over de bol, een veegje op een wang of een zacht duwtje in de rug. Het is niet echt onplezierig. Iedere zachte aanraking pakt een klein stukje verdriet en lost het op in de lucht. Toch blijft er nog heel veel over. Verdriet, dat maakt dat je de hele dag wilt huilen en het liefst zo diep mogelijk onder de dekens van je eigen vertrouwde bed wilt blijven liggen.
Het is benauwd in de kleine hal, zo erg zelfs, dat je er misselijk van wordt. Het enige wat een beetje helpt is stilletjes luisteren naar al die vreemde stemmen.
Dan gaan de deuren open.
Iedereen gaat stilletjes naar binnen in een nog kleinere zaal, waar vreemde muziek zacht speelt. Als de muziek stopt, komt een man op het podium staan. Bij een hoog tafeltje, naast een donkerbruine kist, waarop heel veel bloemen liggen. Kransen met brede linten, maar ook heel veel bossen bloemen, meegebracht door de mensen in de hal.
De man op het podium bedankt de mensen in de kleine zaal dat ze gekomen zijn om afscheid te nemen van een dierbare vriend en zorgzame vader.
Dan ineens dringt het in alle hevigheid door. De foto voor de bloemenpracht is een portretfoto van papa. En het afscheid dat iedereen neemt is ditmaal voor altijd. Want papa is dood.
Als alle mensen die iets over hem willen vertellen zijn uitgepraat begint een nieuw muziekstuk te spelen. Alle aanwezigen staan op en zien hoe de kist wordt opgetild door een heel stel sterke oude mannen, gekleed in een donkere lange jas, ze hebben allemaal een hoed in hun hand. Terwijl de muziek door blijft spelen, wordt de kist naar buiten gebracht. Alle mensen uit het zaaltje lopen er langzaam achteraan.
Het is een vreemde ervaring, de begrafenis van je vader, als je nog maar klein bent.
Als iedereen naar huis is gegaan blijft er weinig meer over dan een grijs boek, dat heel zacht aanvoelt. Het is het boek waar de mensen iets in schreven, toen ze bij de foto van papa stonden. Ook de brede linten die aan de bloemenkransen hingen zitten in het boek, plus heel veel kaarten.
De laatste herinnering aan die dag is het oude huis waar papa woonde, helemaal alleen. Er zijn zoveel vertrouwde spullen dat het moeilijk is om er afscheid van te nemen.
De reis naar huis gaat ongemerkt. De slaap steelt de meest pijnlijke momenten en als je met je ogen dicht tussen de weilanden door glijdt, kun je zelfs een beetje denken dat het papa is, die het stuur van de auto stevig in zijn vuisten houdt.
“Kijk, een sperwer!”
De kleine bruine roofvogel laat zich als een steen uit de lucht vallen bovenop een veldmuis. Vanuit een sloot stijgt een reiger langzaam op. De lucht is blauw en er zijn nog maar weinig wolken over. De regen van de afgelopen dagen is eindelijk op.
Herinneringen…
Als je alle fijne herinneringen als kralen aan een koord rijgt,
krijg je een mooie lange ketting waar je heel lang naar kunt kijken.